‘Met open ogen’ – Gesprekken van Marguerite Yourcenar met Matthieu Galey

Door | juni 24, 2026

Pleidooi voor een wereld op maat van alle leven

Het ‘gebrek aan maatgevoel’ is als begrip al in de oudheid bekend, wat doet vermoeden dat het eigen is aan de mens, zo weet de erudiete en bereisde Frans-Belgische schrijfster Marguerite Yourcenar (1903 – 1987). Zij zette haar leven en haar werk onder meer in om de mateloosheid en het egocentrisme naar medeleven om te buigen. Omdat elk levend wezen een boodschapper uit een andere dimensie kan zijn.

De boeken die Marguerite Yourcenar schreef liggen soms zwaar op het hart. In de gesprekken die journalist Matthieu Galey met haar had, laat ze zich kennen als een scherpzinnige vrouw met een grote en visionaire bezorgdheid voor onze planeet en iedereen die erop woont.

‘Met open ogen’ is de neerslag van de reeks van gesprekken tussen de schrijfster op leeftijd, ze is dan zevenenzeventig jaar, en de jonge auteur, literair en theatercriticus Matthieu Galey. ‘Les yeux ouverts’ verscheen in 1980 en werd al snel vertaald.

Wanneer je het boek leest, vermoed je niet dat het een bron van onenigheid werd tussen Yourcenar en Galey. Naar verluidt betreurde de dame haar openhartigheid waarvan ze vond dat de interviewer er zijn eigen voordeel mee had gedaan. Even goed schenkt Yourcenar in het gesprek een schat aan inzichten die moeilijk in hun nuances en veelzijdigheid zijn weer te geven.

Bij het schrijven nam Yourcenar vaak een historisch perspectief in en schetste de klassieke oudheid, de renaissance en ook haar eigen familiegeschiedenis. Naar eigen zeggen kon ze niet waarachtig schrijven tenzij ze zich zo volkomen als mogelijk in een bepaalde figuur had ingeleefd.

Voor haar werk ontving ze de Erasmusprijs, Grand prix de littérature de l’Académie française, en de Prix Femina. Ze werd in 1980 tot lid van de Académie française verkozen.

Gewend aan eenzaamheid

De kleine Marguerite Cleenewerck de Crayencour groeide op tussen volwassenen. Haar moeder overleed tien dagen na de geboorte van haar dochtertje. Marguerites opvoeding was dus vooral het werk van haar vader en een aantal opeenvolgende kindermeisjes. Het meisje was erg hecht met haar vader, ze reisden veel en ze las heel wat boeken uit zijn bibliotheek.

Ze miste haar moeder nooit en ze heeft haar vader niet bepaald vereerd. Dat vertelt ze openhartig aan Galey. ‘Ik geloof dat het iets geweldig goeds is als men vroeg went aan de eenzaamheid.’  Het liet haar ook toe om van vele mensen te houden, ook van het keukenmeisje, de dienstbode en de postbode. ‘Ik heb al heel vroeg geleerd dat al die mensen, net als ik, hun eigen bestaan hadden en dat het goed was om met hen in de keuken bij het vuur te zitten.’ Behalve dat Marguerite Yourcenar van adel was, had ze een adellijke geest en maakte geen enkel onderscheid tussen rang of stand. En ze koppelde later het lezen en schrijven aan het bakken van haar eigen brood en andere huishoudelijke besognes.

De werkelijkheid en wat erachter zit

Aan Galey vertelt Yourcenar dat ze een soort van mystieke intuïtie had en heeft, een gevoel voor verbondenheid ‘dat in wezen religieus is, in de echte zin van het woord, dat immers verbinden betekent. (…) Mijn religieuze opvoeding is vroeg gestopt, maar ik prijs me gelukkig dat ik ze heb gehad, want het is een toegangsweg naar het onzichtbare, of als u wilt het innerlijke’, zo getuigt ze. Dat ‘onzichtbare’ achter de werkelijkheid bleef een rode draad doorheen haar leven.

Als jong meisje stond Yourcenar tussen de ruïnes van het oude Rome en de klassieke oudheid liet haar nooit meer los. De kennis over de oudheid is door voorouders verzameld of in de humanistische traditie opgeborgen en op die manier zit dat in haar en onze genen, veronderstelt de schrijfster. Maar dat ze zo vaak in Italië terechtkwam was volgens haar ook gewoon toeval. Iemand had een exemplaar van een vroeg gepubliceerd werk naar de Indische dichter en schrijver Rabindranath Tagore gestuurd die haar op zijn beurt uitnodigde om naar zijn universiteit in India te komen. Wat het jonge meisje niet deed omdat ‘het lang voor de tijd van de hippiebussen naar Nepal was. Maar ik moet wel zeggen dat ik erg gevoelig ben voor het feit dat elke daad, zelfs de allerkleinste een poort opent of sluit, en zo heb ik er soms spijt van gehad. Er zou iets anders zijn gebeurd, ik zou onder andere mensen hebben geleefd. Zou ik op hetzelfde punt zijn aangekomen of niet?’

Yourcenar leefde zich sterk in in de figuren waarrond ze een verhaal wou schrijven en trachtte daarbij alle vooronderstellingen en vooroordelen te elimineren. Dat was zeker het geval met het boek over de Romeinse keizer Hadrianus.  Dat argumenteert ze als volgt, ‘Ik weet dat ik aan het onverklaarbare raak, als ik staande houd dat de werkelijkheid – dat zo ongrijpbare begrip – de zo exact mogelijke kennis van wat er bestaat, ons contactpunt is met de dingen die de werkelijkheid te boven gaan, en onze toegangsweg daar naartoe. Op het moment dat wij bepaalde doodeenvoudige werkelijkheden uit het oog verliezen, vertellen we verzinsels, vervallen we in retoriek of in een dood intellectualisme.’

Yourcenar verkoos menselijke verhalen te schrijven, eerder dan historische essays. ‘Als je een personage uit naam van zichzelf laat spreken (…) dan stel je je in de plaats van de mens die je op wilt roepen; dan sta je voor een unieke werkelijkheid, namelijk die mens in die tijd op die plek. En via die omweg bereik je juist het beste het menselijke en het universele.’

Geld en vrijheid

Als het over financiële middelen ging, wou Yourcenar vooral haar vrijheid bewaren. Ze maakte het kapitaal dat ze van haar moeder erfde op, ‘daarna zal ik wel zien’, zo dacht ze.

Werken voor geld zag ze als een vorm van vrijheid, behalve wanneer het een soort van knechtschap is aan een vervuilende fabriek of producent van gevaarlijke en overbodige producten.

‘Het is een burgerlijk beginsel de toekomst zeker te willen stellen, je weet niet wat de toekomst worden zal. (…) Let wel, je bent altijd de verliezende partij, want als je geld op een bank zet, met niets anders dan de rente van een spaarrekening, beschikt de bank toch over je geld en investeert in ondernemingen waar je niet aan mee zou willen doen. Maar dat gebeurt dan toch via de distantie van twee of drie tussenpersonen, en bijgevolg worden je hebzucht en het afschuwelijke gevoel erbij betrokken te zijn minder.’

Of dat niet een aristocratische houding is ten opzichte van geld, gooit interviewer Galley haar voor de voeten. Waarop ze antwoordt, ‘Aristocratisch ja, maar alleen als je in staat bent om met je oude jas aan en een tas onder je arm de deur uit te gaan en te zeggen: ‘Goed, als de zaken zo staan, dan gaan we iets anders doen, we gaan kranten verkopen.’

De eenzaamheid van de schrijver

De schrijfster zocht niet uitdrukkelijk het gezelschap van haar collega’s, noch liet ze zich door anderen inspireren. Daarover vertelt ze aan Galey, ‘De eenzaamheid van een schrijver is erg diep. Ieder van hen is uniek, hij heeft zijn eigen problemen, zijn eigen technieken, die hij zich zorgvuldig heeft eigen gemaakt; hij heeft ook zijn eigen leven. Hij heeft niet veel te winnen bij conversaties met kennissen (of onbekenden) over literaire onderwerpen.’

Ze gaf wel om langdurige menselijke relaties met wie dan ook, het kon net zo goed de timmerman om de hoek zijn. ‘Het moeten mensen zijn die je bijna dagelijks ziet, of bij wie althans de aandacht en intensiteit van het contact de tussenpozen vullen.’

Yourcenar heeft een immense bewondering voor de elfde eeuwse Japanse schrijfster Murasaki Shikibu die volgens haar en anderen met ‘Het verhaal van Genji’ de eerste moderne roman zou hebben geschreven. ‘Het is van een ongelooflijke subtiliteit, niet alleen wat de psychologie van de relaties tussen man en vrouw betreft, maar ook wat betreft het diepe aanvoelen van het vluchtige karakter van de dingen, het voorbijgaan van de tijd, het feit dat wat er in deze liefdes gebeurt tegelijk tragisch, heerlijk en kortstondig is.’

Amerika

In de jaren dertig van vorige eeuw reisde Yourcenar doorheen Europa en de Balkan. In november 1939 ging ze in op de vraag van Grace Frick om naar Amerika te komen. Frick, die professor talen was, werd haar levenslange partner. Na een periode van overleven en bijklussen in New York vestigde Yourcenar zich met Frick op Mount Desert Island voor de kust van Maine.

Het werd een totaal nieuwe omgeving die haar losrukte van het literaire milieu waarin ze gewend was te vertoeven. Daarover vertelt ze, ‘Ik heb veel eerbied voor het toeval. Ik geloof in dat aanvaarden van de gegeven situatie, het gegeven bestaan dat je moet nemen zoals het komt. Een schrijver aan wie veel mensen de hoedanigheid van filosoof zullen ontzeggen, want het gaat gewoon maar om Casanova, spreekt vaak over die gehoorzaamheid aan het lot, de amor fati. Hij gebruikt die formule niet, die door Nietzsche beroemd is geworden. Hij zegt het veel beter: sequere deum, ‘de god’ volgen. Laten we dus maar zeggen dat ‘de god’ mij naar Amerika heeft geleid. Ik zeg ‘de god’ omdat ik niet precies weet welke. Een christen zou zeggen de genade, een Hindoe mijn karma. En dan, het kan altijd veranderen. God, ‘de god’ alleen weet waar we over tien jaar zijn, als we er dan nog zijn…’

Het viel Yourcenar niet zwaar om van dat deel van haar lot te houden. ‘Hier heb ik nu juist de stilte van de natuur gevonden en soms de roep van de nachtvogels, het geluid van de sirene van een kustvaarder die in de mist aanlegt.’

Verder onthecht ze zich naar eigen zeggen van materiële dingen. ‘Ik heb voor mezelf de filosofie ontworpen, als je er dat plechtige woord aan kunt geven, volgens welke ik nooit iets koop zonder me af te vragen of ik er in wezen niet buiten kan. Waarom nog iets toevoegen aan een volgepropte wereld. Trouwens, ik zou er zonder enige moeite rustig tussenuit kunnen gaan, het zou me spijten van Joseph, de eekhoorn, dat is alles. Waar je ook sterft, je sterft altijd op een planeet.’

Aversie voor persoonlijkheidscultus

Yourcenar bleef in al haar geschriften, zowel over historische figuren als over haar eigen familie, zelf helemaal buiten beeld. Tegenover Galey ergert ze zich aan ‘die Franse geobsedeerdheid door de persoonlijkheidscultus bij iemand die schrijft of het woord voert.  Mag ik zeggen dat ik dat iets verschrikkelijk kleinburgerlijk vind? Ik, mij, mijn… Ofwel alles is in alles, ofwel niets is de moeite waard om erover te praten.’

De schrijfster gaat er niet van uit dat haar lezers haar begrijpen. ‘Het zou wanhopig maken als dat het was waar je op uit was. Maar je gehoorzaamt allereerst aan een zekere behoefte je uit te drukken, en dat is iet heel mysterieus. Waarom ondervind je die behoefte. Ik weet het niet, maar er zijn situaties, gedachten die erom vragen opgeschreven te worden, gezegd te worden, en daar is geen verklaring voor.’

Yourcenar vertelt dat door haar gecreëerde personages haar nooit verlaten, ‘net zomin als in die zin onze overleden vrienden sterven’. (…) Ze zijn evenzovele wegen waarlangs ik in de werkelijkheid doordring. Via hen heb ik parallelle levens geleid. Hetzelfde met mijn vrienden van vlees en bloed. (…) Elk gevoel van sympathie en begrip dat wij voor mensen opbrengen, of zij nu van vroeger zijn of van nu, of ze uit onze geest zijn ontstaan of onze levensweg kruisen en ons begeleiden, vermeerdert onze kansen op contact met de werkelijkheid.’

Visionair

Op het moment van het verschijnen van ‘Met open ogen’ was de wereld in sommige opzichten een beetje vergelijkbaar met deze van vandaag en Yourcenar tilde zwaar aan de problemen die geopolitiek, ecologische verwoesting en overbevolking stellen. Ook al zijn die van alle tijden. De Romeinse veldslagen veroorzaakten reeds ontbossing op grote schaal en de Russische 19de eeuwse schrijver Tsjechov betreurde al de aanslag op de Russische wouden. ‘Het eerste antwoord op alle vragen is de vraag stellen. Als we bedacht zijn op die problemen, zullen we de wereld misschien niet redden, maar we zullen tenminste het kwaad niet erger maken. Redden is een ongelukkig woord, laten we liever zeggen dat we de wereld misschien niet zullen hervormen, maar we zullen dan tenminste onszelf hervormen, die tenslotte een deeltje van de wereld zijn. Ieder van ons heeft meer macht over de wereld dan hij denkt.’

En ze citeert uit de Bhagavad-Gita, ‘Strijd alsof de strijd ergens toe diende, werk alsof het werk ergens toe diende. En u kent, meer in onze omgeving, het devies van Willem van Oranje: Om iets te ondernemen is het niet nodig hoop te koesteren.’

(…) Het is niet alleen zo dat alles veranderd is, maar de veranderingen zijn een richting ingeslagen die de meest kritische geesten zich niet konden indenken. (…) De toerist die in vliegende vaart alles afwerkt en op de wegen zijn agressiviteit uitleeft, vermoedde kort geleden nog niet dat de oliecrisis zijn ‘standaard’ zou gaan bedreigen en het economisch evenwicht in de wereld zou verstoren’, overwoog Yourcenar in 1980.

Yourcenar meent dat onwetendheid een immens gevaar voor de democratie vormt. ‘Die is zo sterk, vaak zo totaal, dat je zou zeggen dat ze door het systeem, om niet te zeggen door het regime is gewild. Ik heb er vaak over gedacht hoe de opvoeding van een kind eruit zou kunnen zien. Ik denk dat er heel eenvoudige basisstudies nodig zijjn, waarin een kind leert dat hij bestaat in de schoot van het heelal, op een planeet die hulpbronnen heeft waar hij later voorzichtig mee zal moeten omspringen, dat hij afhankelijk is van de lucht, het water, en alle levende wezens, en dat de geringste fout of het minste geweld het gevaar me zich meebrengt dat alles wordt verwoest.’

Verder ziet Yourcenar een historisch inzicht als wezenlijk, evenals een overzicht van wereldgodsdiensten en het overbrengen van eenvoudige morele begrippen ‘omdat een samenleving daar niet buiten kan.’

(…) wat utopisch is, is niet per se onmogelijk. Dat zou dan voor de eerte keer een echt menselijke opvoeding zijn. Men zou minstens kunnen proberen die richting uit te gaan, in plaats van voort te wroeten in de tegenovergestelde richting.’

Marguerite Yourcenar werd vierentachtig jaar oud en beleefde het grootste deel van de vorige eeuw. Niettemin overschrijdt ze met haar wijsheid deze tijdsgrens met het nu, wat ze vertelt, blijft vandaag minstens even geldig. ‘Met open ogen’, de rijk geschakeerde samenspraak met Matthieu Galey blijft dan ook lezenswaardig. Dit vanwege de zeldzame openheid van de schrijfster tegenover een moeilijke wereld, het leven en zelfs tegenover de dood, de overgang die ze ‘met open ogen’ tegemoet wou gaan.

Tweedehands verkrijgbaar als Paperback (uitgave Ambo) of Pocket (uitgave Rainbow)