‘Het Grote Huis’ van Nicole Krauss

By | September 7, 2016

Een verhaal over dingen die te zwaar om dragen zijn

– (M.J.H. De Geest) – Hoe is het om zoveel pijn op papier vast te pinnen, hoe kun je het, vroeg ik me af bij het lezen van ‘Het Grote Huis’ van Nicole Krauss. De schrijfster van haar kant vroeg zich af hoe is het om dingen te beleven waar eigenlijk niet mee te leven valt en maakte met het antwoord op die vraag een prachtige roman. Zodat u zich niet door de misère hoeft te laten afschrikken en het boek ongelezen laat. Ook moeizame levens kunnen met mooie zinnen worden omgeven.

COVER_Nicole-Kraus-Grote-HuisVier ‘tranches de vie’ die van ver of van dichtbij met elkaar worden verbonden door een monstrueus bureau. In de vele kamers waar het huist, vormt het een teneerdrukkende, raadselachtige aanwezigheid die slechts een keer een geheim prijs geeft. Krauss laat de vier personages hun versie vertellen, hun leven zoals zij het beleven. Hun verhaal hangt telkens een beetje in het ijle, alsof er niemand bestaat die het kan bevestigen.

Een Amerikaanse schrijfster zonder lief bezit een bureau waaraan ze haar oeuvre tot stand brengt. Ze kreeg het van een Chileense dichter met wie ze slechts een avond en nacht samen was. Wat niet belette dat hij een schaduw over de rest van haar leven wierp toen ze vernam dat hij door het Pinochet regime was opgepakt en er gruwelijk aan zijn einde kwam.

In Israël spreekt een vader zijn tweede zoon Dov aan, een jongen waarmee hij altijd al moeilijk omging. Een jongeman die zijn ouders verliet om in Groot-Brittannië te gaan wonen – ‘terwijl je moeder en ik maar aanrommelden en oud werden’ – en pas na de dood van zijn moeder terug keerde. Wanneer hij bij zijn vader intrekt, raakt de hemel niet uitgeklaard. ‘Gisteren kwam ik je tegen in de tuin met iets vreemds stijfs in je houding alsof je een houten juk droeg, alleen was het bij jou geen water dat je probeerde niet te morsen, maar grote voorraden gevoel.’

Hun verhaal hangt telkens een beetje in het ijle, alsof er niemand bestaat die het kan bevestigen.

In Londen tobt een weduwnaar over het voorbije leven van zijn Joodse vrouw Lotte. Hij leerde haar kennen als vluchtelinge uit Duitsland, ze handhaafde zich in een kleine kamer, waar alles in de verdrukking kwam door het grote bureau. Nooit heeft haar man geweten waar Lotte het bureau vandaan had. Maar op het eind van haar leven, toen ze al in de mist van de Alzheimer ziekte vertoefde, onthulde ze misschien toch nog gewild een groot geheim. ‘Mijn hele leven had ik geprobeerd me voor te stellen hoe het was om haar te zijn. Haar verliezen te hebben geleden. Had ik dat geprobeerd, maar had ik daarin gefaald. Alleen was het misschien zo – hoe moet ik dat zeggen – dat ik juist wilde falen. Omdat ik op die manier op de been bleef. Mijn liefde voor haar was een falen van de verbeelding.’

Tenslotte is er de geliefde van Joav Weisz die de familie Weisz binnendringt, of liever wat er van over blijft. Moeder is overleden en vader Weisz wil zijn kinderen zo opvoeden dat ze volkomen op zichzelf kunnen bestaan maar dan wel op elke denkbare plek in de wereld. Zelf heeft hij van het opsporen van afgenomen Joodse bezittingen zijn levenswerk gemaakt. Dat herstelt niets maar het is het enige waar nog de hand op te leggen valt uit een wereld die niet meer bestaat. Vader Weisz is er op die manier in geslaagd om het bureau van zijn eigen omgekomen vader weer samen te stellen, enkel het meubel ontbrak er nog aan. ‘De man die naar dit bureau zoekt, verschilt van alle anderen, zei hij. Het ontbreekt hem aan het vermogen om toch een beetje te kunnen vergeten. Zijn geheugen laat zich niet binnendringen. Hoe meer tijd er verstrijkt, hoe scherper zijn geheugen wordt. Hij kan de woldraden van een tapijt waar hij als kind op heeft gezeten vol aandacht bestuderen. Hij kan een la opentrekken van een bureau dat hij sinds 1944 niet meer gezien heeft en de inhoud bekijken, al die spullen, stuk voor stuk. Zijn geheugen is reëler voor hem, nauwkeuriger, dan het leven dat hij leeft en voor hem steeds vager wordt.’

Alsof, zoals, alsof… 

Nicole Krauss schrijft alsof ze er bij was, elk tafereel zelf beleefde, elk verlies een bres in haar leven sloeg. Joodse auteurs schrijven vaak heel beeldend, roepen met details een typische wereld op. Lange nevengeschikte zinnen horen bij elkaar dankzij ‘alsof, zoals’.

‘Vier of vijf keer was het me overkomen dat ik net uit de bibliotheek kwam op het moment dat een student een contrabas over de straatkeien voortrolde, alsof hij een uit zijn krachten gegroeid kind voor zich uit duwde. (…) Maar één keer kwam ik de bibliotheek uit precies op het moment dat hij langsliep en maakten we oogcontact, zoals je dat soms met een onbekende hebt, een wederzijds onuitgesproken bevestiging dat de werkelijkheid verdwijngaten bevat waarvan je hoopt nooit te ontdekken hoe diep ze zijn.’

Toch is Krauss geen verteller zoals bijvoorbeeld Amos Oz of Meir Shalev dat zijn.

In een interview zegt ze daarover: ,Ik kom niet uit een familie waarin verhalen werden doorgegeven.’

Het waren eerder stiltes en leegte die ze in haar kinderjaren ervoer. Haar overgrootouders en vele andere familieleden kwamen om in de holocaust en haar grootouders vluchtten uit plaatsen waarnaar ze niet meer terug konden omdat ze niet langer bestaan. Dat verlies en de nostalgie draagt ook de schrijfster onderhuids mee.

Afgezien daarvan gaat het boek over dingen waarvan ze zegt dat ze ze liever niet in het echte leven zou meemaken. De wrakkige liefde van de Amerikaanse schrijfster bijvoorbeeld, heeft niets met haar leven te maken.

Haar personages lijken dan ook zo broos als zijdepapier en je vraagt je af hoe ze zich, beladen met zoveel gevoeligheid, in het leven stand weten te houden.

‘Ik wil niet in de feiten wroeten’, zegt ze zelf, ‘maar ik word wel gegrepen door een hevige interesse voor wat er met een karakter in een bepaalde context gebeurt. Ik wil even in die situatie en intens in iemand anders verblijven. De vraag ‘hoe dicht kun je bij iemand anders komen, hoeveel lagen moet je oplichten’, laat me niet los. Een boek maken is voor mij dan ook een tijdelijke thuis creëren, ik kan erin wonen. Tot het af is, dan is de deur gesloten en kan ik er niet meer bij.

Natuurlijk verwerk ik er eigen ervaringen in, maar dan bijna onherkenbaar. Schrijven is een manier om jezelf te creëren. Ik kan een oude man zijn, in Londen wonen, een Duitse vluchtelinge… Dat fascineert me van toen ik heel jong was. Als je jong bent wordt alles voor jou beslist, enkel op papier kun je jezelf uitvinden.’

Haar personages lijken dan ook zo broos als zijdepapier en je vraagt je af hoe ze zich, beladen met zoveel gevoeligheid, in het leven stand weten te houden. Krauss weet welke ambigue opdracht het is na verlies verder te gaan, niet omdat je het kunt maar omdat de weg nu eenmaal door lijkt te lopen.

Replica van vergane plekken

Het weer samenstellen van een vroegere realiteit is een idee dat Krauss kreeg toen ze in Londen regelmatig het Freud museum en het gereconstrueerde atelier van Francis Bacon bezocht. Ze verbleef graag in de kamer die Anna Freud voor haar vader had gemaakt en die een zo goed als mogelijke replica was van zijn kamer in het appartement in de Berggasse in Wenen waaruit hij voor de nazi’ was gevlucht. ‘Je bent er tussen zijn dierbare bezittingen, je oog valt op de bril die hij voor de laatste keer van zijn neus zette voor hij in 1939 stierf. Je voelt hoe het is wanneer die bepaalde persoon ophoudt te zijn.’

‘And I began to consider how, in both cases, it wasn’t only the objects in each room that possessed such powerful talismanic significance – to Bacon and to Freud, and later to us – but their precise placement and order in the rooms, an order that others would later obsessively, meticulously reassemble and almost religiously preserve.’

Herinneringen zijn wezenlijk, ook voor de Joodse gemeenschap, ze zijn als het ‘Grote Huis’, de tempel die in Jeruzalem in vlammen opging. Elke Jood herinnert zich een fragment en als die allemaal worden samengebracht is dat te vergelijken met het herrijzen van het ‘Grote Huis’, zoals vader Weisz aan het eind van het boek uitlegt.

Nicole Krauss voegt er slechts haar zelf bedachte herinneringen aan toe.

‘Het Grote Huis’ van Nicole Krauss is uitgegeven bij Anthos. 

Lees ook:

De geschiedenis van de liefde en Clair-obscur: een korte parabe

l

Leave a Reply