Author Archives: admin

De wonderlijke, wijze wereld van Tove Jansson

Van een trollenfamilie hoeven we niets over het leven te leren. Of toch? Wie de boeken van Tove Jansson over de moeminfamilie leest, kan zich warmen aan hun kalme levensvreugde, hun liefdevolle omgang met elkaar en hun vrienden.

Tove Jansson (1914 – 2001) was schrijfster en beeldend kunstenaar. Ze werd geboren in een Zweedstalige Finse kunstenaarsfamilie. Haar vader was beeldhouwer maar het was haar moeder die voor een heus inkomen zorgde met het tekenen van postzegels, boekencovers en andere opdrachten.

De familiale achtergrond is onzeglijk belangrijk voor Tove. Ze groeide in vrijheid op in het bohémien-milieu en hield er tegelijk een geweldig verantwoordelijkheidsgevoel en arbeidsethos aan over.

‘Leven is liefhebben en werken’

‘Leven is liefhebben en werken’, dat vormde zo ongeveer haar motto.

In de tolerante sfeer genoten de familieleden van elkaar, beleefden ze heel veel plezier maar steeds was er de ernst van het werk en vooral de drang om te scheppen. De vrije wil om te creëren en daarom te houden van iets wat je soms zwaar valt.

Tove Jansson heeft dan ook een omvangrijk oeuvre bij elkaar geschreven, getekend en geschilderd.

Ze was opgeleid als beeldend kunstenaar en schilderde oorspronkelijk impressionistisch om later naar meer abstract werk te evolueren.

Voor volwassenen schreef ze novelles als ‘The true deceiver’, ‘Fair play’, ‘The winter book’ en ‘The summer book’. Beide laatsten verhalen over het verblijf op het onooglijke eilandje in de Finse archipel waar Tove Jansson vele zomers van haar leven doorbracht en ze ook wel eens de uitdaging van de winter aanging. Ze handelen over haarzelf en haar familieleden al speelt de natuur de hoofdrol, hij zorgt voor de belangrijkste gebeurtenissen in de boekjes.

Integriteit

© Moomin Characters™

De moemins maakten haar ongetwijfeld het meest bekend. Wat begon als een figuurtje waarmee Jansson haar spotprenten in een Fins anti-fascistisch blad ondertekende, groeide uit tot een soort van imperium.

Ze noemde het figuurtje moemin en voorzag het van een liefhebbend gezin dat zich met veel humor en doorzettingsvermogen in het leven handhaaft. Zoals Tove Jansson het in haar eigen familie had meegemaakt.

De oorspronkelijke stripverhalen over de moemins die dagelijks in een Britse avondkrant verschenen, vormen nu ‘de verzamelde comic strips’. Over de familie moemin en de vallei waarin ze samen met wonderlijke wezens woonde schreef Jansson acht boeken.

Die werden in vijfenveertig talen uitgebracht en er werden animatiefilms van gemaakt. Wat niet belet dat Jansson behoorlijk terughoudend en kritisch was wanneer ze de rechten op haar moeminfiguurtjes verkocht. Die integriteit kenmerkt ook de moeminfamilie.

De moemins zijn vriendelijk en gastvrij, behulpzaam, laconiek en eigenzinnig. Ze wonen niet alleen in hun vallei en zelfs niet in hun huis. Onder de kast woont ‘het wezentje onder de kast’ dat enkel ‘radamsa’ zegt en leeft van de kruimels van het knäckebrood. In de tegelkachel woont een voorvader en in het badhuis woont Too-ticki, een goede vriendin van moem. De hemuul daalt wel eens af uit de eenzame bergen. En mevrouw filifjonka poetst haar huisje schoon terwijl mama moemin oppert ‘cleaning is not a vertue in itself’.

Moeminmama gaat onverstoorbaar haar weg en doet zelfs in de meest hachelijke of unheimliche omstandigheden precies wat zij het meest gepast vindt. Een koelbloedigheid om een tikkeltje jaloers op te zijn of in elk geval na te streven.

‘De rest regelt zich vanzelf’

MU – © Moomin Characters™

Tove Jansson schreef ronduit autobiografisch en als dat niet het geval was, is het voor de lezer een leuke opgave om de autobiografische elementen in de verhalen te herkennen.

Zowel moeminmama als papa zouden veel trekken van Janssons ouders overnemen.

Aan het eind van ‘De toverwinter’ vertelt Moem zijn mama over de sneeuw waar hij overheen skiede met haar dienblad.

‘Wel wel, zei Mamma en keek met samengeknepen ogen naar de zon. Het leven zit vol verrassingen. Laat ik nou altijd gedacht hebben dat een zilveren dienblad maar op een manier gebruikt kon worden en nou blijkt het veel beter van pas te komen voor iets anders.’

Too-ticki zou dan weer op Tuulikki “Tooti” Pietilä lijken en dezelfde rustgevende factor zijn voor moem als Janssons levenslange liefde Tuulikki was voor haarzelf.

‘Moem keek naar Too-ticki. Ze knikte. Dat betekende: laat hem maar gaan. Die kwestie is opgelost en de rest regelt zich vanzelf.’

De weerbarstige, eigenwijze Mu zou nog het meest op Tove Jansson zelf zijn geïnspireerd.

De wonderlijke wereld van de schrijfster is bevolkt met een schat van figuurtjes. En allemaal, zelfs Snufkin, de Hattifsnatters en de Morre zijn geliefd om hun eigenaardigheid.

Stuk voor stuk hebben ze een eigen karakter met alle subtiliteiten die bij mensen zijn terug te vinden. Als pure verbeelding vormen ze een verlengstuk van Janssons leven en is het geen losgeslagen fantasie.

Het was een interessante beslissing van uitgeverij Clavis om in 2014 het allereerste boekje van Tove Jansson uit te geven. In dat jaar zou de Zweeds-Finse schrijfster honderd zijn geworden, mocht ze nog hebben geleefd tenminste.
Verbeelding en grafisch talent zijn nog onvolmaakt in ‘De moemins en de grote overstroming’. Ze schreef het in 1939, een jaar waarin de internationale spanning haar depressief stemde, maar het werd pas in 1945 gepubliceerd.

De hartverwarmende vertelstijl geeft al aan dat Jansson gemaakt was om zichzelf te overleven. Het is evenwel pas later dat de moemins en hun gezellen echt wijs worden en grafisch helemaal zijn uitgewerkt.

http://tovejansson.com/

 

 

‘Moominpapa at sea’ – De psychologie van de zeevaarder blootgelegd

Een passie voor de zee heeft natuurlijk met golvend water te maken en met de elementen die haar kleur en temperament bepalen. En, zoals bij elke liefde gaat de verhouding ook over jezelf. Wat zoekt een mens bij de zee, welk antwoord geeft ze op vragen? En wat doet ze met ‘landvasten’?

Een pareltje uit de onpeilbaar diepe zee van boeken gaat daarover: ‘Moominpappa at sea’ werd al in 1965 door de Zweeds Finse schrijfster Tove Jansson geschreven. Als grafisch kunstenaar bracht ze haar verhalen oorspronkelijk als strips in Finse en Britse kranten. Sommigen zeggen dat Jansson voor kinderen schreef, wat niet belette dat haar verhalen in 45  talen werden vertaald voor een universele zone van mensen met een voorzichtige liefde voor elkaar, zichzelf en de natuur. Jansson opent voor lezers de deur naar hun eigen binnenwereld en die van anderen, subtieler en preciezer dan veel expliciet psychologische romans dat doen.

Moomins zijn trolletjes die, als ze in hun gewone doen zijn, een lieflijke vallei (allicht in Finland) bewonen waar het geruis van de zee altijd hoorbaar is.

Bindende factor

‘Moominpappa at sea’ opent met een lichtelijk ontstemde Moominfamilie. Dat is een beetje vreemd want in andere verhalen is er een hechte band tussen Moominpappa en Mamma, zoontje Moomintrol en een  geadopteerd meisje Mu. Moominmamma is de bindende factor: ze tovert alle onbehaaglijkheden weg met thee en sandwiches of, nog beter, verjaardagstaart. Maar in de maand augustus van dit verhaal is pappa de draad een beetje kwijt. ‘Alles wat moest worden gedaan is gedaan en wat niét is gedaan, daarin heeft hij geen zin.

Neen, hij wenst de  alledaagsheid achter zich te laten en zijn familie mee op avontuur nemen. Dan kan hij alle moeilijke taken op zich nemen en hen beschermen tegen de gevaren die in onbekende oorden op hen loeren. In zijn bespiegelingen speelt hij een heroïsche rol. En dus vertrekken ze niet veel later naar een eiland met een vuurtoren, de vuurtoren die hij al altijd had willen bewonen. Moominmamma en Moomintrol en zelfs de weerbarstige Mu volgen pappa. Niet helemaal van harte want ze houden zoveel van hun vallei, maar Moomins blijven nu eenmaal liefst samen.

,,Look at the boat’’, pappa said. ,,Look at ‘The Adventure’. A boat at night is a wonderful sight. This is the way to start a new life, with the hurricane lamp shining at the top of the mast and the coastline disappearing behind one as the whole world lies sleeping.’’

Moominmamma probeert altijd pappa’s enthousiasme en visie te delen. Jansson hanteert  oertraditionele maar perfect verdedigbare waarden, families horen samen te klitten: pappa’s zijn wijs en mamma’s lief en nog wijzer. Maar speels baant ook Moominmamma zich een weg naar een minder vast patroon: Op pappa’s ,,You must remember that we’re used to your being here when we come home in the evening’’, antwoordt ze: ,,But one needs a change sometimes. We take everything too much for granted, including each other. Isn’t that true, dearest?’’

Wereldleed

Al op de tocht naar het eiland heeft mamma het moeilijk, ze rolt zich in een behaaglijk bolletje en heeft alle moeite om haar staart binnendeks en droog te houden. Eenmaal aangekomen blijkt het eiland en zijn vuurtoren een allerminst vriendelijke en gastvrije plek. Het duurt een hele tijd voor Moominpappa de sleutel van de vuurtoren kan vinden.
Tenslotte ontdekt hij hem, geklemd tussen de kale rotsen bij een diepe poel. Dat was de plaats waar de vorige vuurtorenwachter ‘alleen kon zijn’ en pappa kon de sleutel dan ook slechts vinden nadat hij zich had afgezonderd. Evenmin slaagt pappa erin om het vuurtorenlicht aan te steken, de droom om een waardig vuurtorenwachter te worden knapt hier op af.

Pappa voelt de ogen van zijn Moominfamilie in zijn rug. Ze gaan elk een eigen relatie met het ongure eiland aan. Moominmamma legt een tuin aan op de kale rotsen en plant de bloemen die ze uit de vallei meebracht in massa’s zeewier. Moomintrol trekt zich terug en ‘keeps himself to himself’ op een open plek in een bosje.

En al die tijd worden de Moomins begluurd door ‘the Groke’, een ijzige vormeloze figuur die alles bevriest waar ze op gaat zitten. Ze is hen uit de vallei naar het eiland gevolgd en wil ook hier in het schijnsel van de lamp zitten, de aandacht vangen van de Moomins, ontsnappen aan haar onmetelijke eenzaamheid.
‘The Groke’ is als het wereldleed dat een familie binnendringt, waar ze geen duimbreed aan kunnen veranderen maar waarvan ze toch de kilte voelen.

Om zich uit zijn onbeholpenheid los te maken, stort Moominpappa zich met volle energie op het vissen, hij vangt zoveel vis dat zelfs Moominmamma hem afremt, niemand kan zovéél vis eten. Daarna haalt pappa de schatten uit de diepe poel naar boven omdat hij denkt dat ze hem de geheimen van de zee zullen meedelen. Want die wil hij zo graag ontdekken ,,You can’t be to careful with the sea, you know! I wonder’’, Moominpappa added, ,,I wonder why the sea rises and falls like this. There must be an explanation…’’

Als hij de zee haar geheimen heeft ontfutseld, voelt hij dat ze van hem is. ‘This was a  moment to live to the full’, peinst Moominpappa.

Wie in zijn gedachten wil binnenvaren kan in Engelstalige boekhandels terecht voor ‘Moominpappa at sea’ van Tove Jansson, a Sunburst book uitgegeven door Farrar, Strauss and Giroux.
ISBN 0-374-45306-3

 

‘Donker woud’ van Nicole Krauss

Verdwaald te midden van bomen waartussen we ooit vol verwondering leefden

– In sommige romans vormt de taal het verhaal. Dat is ook het geval voor ‘Donker woud’ van Nicole Krauss. Krauss’ taal heeft een heel apart parfum dat aan een andere wereld herinnert. In dit geval een plek met heel verschillende mogelijkheden dan deze die zich lijken af te tekenen.

Wat de Amerikaans-Joodse Nicole Krauss in ‘Donker woud’ vertelt is bij het einde van het boek niet eens echt duidelijk. Een Amerikaans-Joodse schrijfster – is het een andere of zijzelf – komt weer thuis. Tegelijk kun je je als lezer afvragen of ze wel echt is vertrokken en de reis die ze beschrijft heeft gemaakt.

Het verhaal van de schrijfster zit vol met metafysische bespiegelingen over de werkelijkheid die ze zelf als diffuus ervaart.

‘Het idee dat je op twee plaatsen tegelijk kunt zijn leeft bij mij al heel lang. Eigenlijk al zolang ik me kan herinneren. (…) Je zou kunnen zeggen dat het besef van het eigen ik bij jonge kinderen nog steeds poreus is. Dat het oceanische gevoel een tijd blijft aanhouden, net zolang tot we eindelijk overgaan tot het afbreken van de steigers langs de muren die we in opdracht van een aangeboren instinct moeizaam om ons heen bouwen, ondanks de treurig makende wetenschap dat we de rest van ons leven naar een vluchtweg zullen zoeken.

Ook is ze niet zeker dat er naast de rede geen andere weg bestaat om met de werkelijkheid om te gaan.

‘Net zoals religie zich heeft ontwikkeld tot een manier om over het onkenbare na te denken en er mee te léven, zo hebben we ons nu bekeerd tot de tegenovergestelde praktijk, waaraan we niet minder zijn toegewijd: de praktijk van alles weten, en geloven dat kennis concreet is en altijd bereikt wordt via de vermogens van het intellect. (…)Hoe meer Descartes het heeft over het volgen van een rechte lijn om uit het bos te komen, hoe fijner het me lijkt om te verdwalen in dat bos, waar we ooit vol verwondering hebben geleefd en hebben begrepen dat het een noodzakelijke voorwaarde was voor een authentiek bewustzijn van het zijn en van de wereld.’

Hilton Hotel

 In die geestelijke gesteldheid en de sfeer van een splijtende relatie beslist de schrijfster met een writer’s block haar thuis te verlaten en naar Israël te reizen. Meer bepaald naar het Hilton Hotel in Tel Aviv, de plek waar haar ouders haar ooit verwekten. Dan komt er in het boek toch een soort van verhaal op gang.

In Tel Aviv wordt ze gecontacteerd door de bizarre figuur Friedman die zich uitgeeft voor universiteitsprofessor maar even goed lid van de mossad, de Israëlische geheime dienst, zou kunnen zijn. Hij zadelt haar op met de opdracht om Kafka’s verhaal af te maken. Want de Joods-Tsjechische schrijver zou volgens Friedman niet in Praag zijn overleden maar zijn tuberculose hebben overwonnen en rustig oud zijn geworden in het Israëlische klimaat.

Het spreekt voor zich dat het een verhaal vol losse eindjes wordt en niets vast staat. Het wordt wel in de ik-vorm door de schrijfster verteld en volgestouwd met haar eigen bespiegelingen.

Parallel met de schrijfster vertrekt ook de Joods-Amerikaanse advocaat Epstein naar Israël. Zijn gebeurtenissen worden meer afstandelijk in de derde persoon overgebracht maar tegen een vaart die je als lezer bijna de adem beneemt. Tenminste bij het begin van de roman. Dan staat de man nog dicht bij de advocaat met het hectische leven die hij was, die in de hoogste kringen vertoefde en met zijn aanwezigheid de kamer vulde. Na zijn zestigste doet Epstein afstand van zijn fortuin en verdunt hij zijn persoonlijkheid tot de kwintessens. Dan vertraagt ook het ritme van zijn verhaal.

De advocaat wordt door een rabbijn als een afstammeling van koning David bestempeld en zou zelfs die rol gaan spelen in een film als hij niet van de set was weg gewandeld.

Unheimlichkeit

Krauss zet twee verhalen naast elkaar die alles behalve solide zijn en waar geen peil op te trekken valt.

‘Unheimlichkeit’ is dan ook een belangrijk thema van het boek. Unheimlichkeit zoals de Oostenrijks-Joodse psychoanalyticus Sigmund Freud haar determineerde. Als iets dat niet vreemd of onbekend is en daardoor angst inboezemt maar integendeel door en door bekend en vertrouwd is en door verdringing uit het zicht was verdwenen om dan weer de kop op te steken. Daarmee knoopt Freud aan bij het Hebreeuwse woord ‘olam’ voor wereld dat als wortel ‘alam’ heeft, wat ‘verschuilen’ of ‘verbergen’ betekent. ‘Voor de oude Joden was de wereld altijd zowel verscholen als zichtbaar gemaakt’, herinnert de schrijfster zich.

Zo is het Joods zijn het andere wezenlijke thema van ‘Donker woud’. De manier waarop Joden hun kinderen in een vast patroon dwingen, waarin ze hen de oude verhalen vertellen om vorm te geven aan het vormeloze. De conventionele oeroude verhalen die de schrijfster ook aan haar zoon doorgaf, omdat ze iets te bieden hebben maar ‘hem beroofde van de oneindige mogelijkheden om de wereld te doorgronden. (…)Uit liefde. Zodat hij de weg zou vinden in de wereld waar hij geen andere keuze heeft dan erin te leven.’ Niet voor niets is het boek aangevuld met een verklarende woordenlijst van Hebreeuwse begrippen.

Nicole Krauss schreef andermaal een prachtig boek dat evenwel nog cryptischer is dan haar voorgaande.
Het werd mooi vertaald door Rob van der Veer, uitgegeven bij Ambo/Anthos Amsterdam en telt 298 pagina’s. ISBN 978 90 263 3343 9

‘Alles goed’ in een stellige, eenduidige wereld

Naar verluidt zou de Franse componist Eric Satie (1866 – 1925) de beleefdheidsvraag ‘comment allez-vous?’ steevast hebben beantwoord met ‘comme vous voulez’.

Daarmee gaf Satie aan dat de beleefdheidsvraag, wat hem betrof, niet eens op een oprecht antwoord uit is.

Vandaag de dag klinkt de variant als ‘alles goed?’ Omdat de vraag als een vaststelling klinkt, kun je het gesprek niet meer de elegante wending geven die Satie had bedacht.

Het antwoord open laten, nuanceren of de vaststelling tegenspreken lijkt te gecompliceerd, te veel ruimte en tijd in beslag te nemen die de vraagsteller bovendien niet heeft voorzien.

‘Alles is veel’ denk ik iedere keer en een enkele keer krijg ik het ook over mijn lippen. Maar meestal antwoord ik beleefd en ontwijkend ‘ja dank u’.

En dus gaat alles goed in de beste der werelden. Alleen een kniesoor kan daar iets op tegen hebben.

Die stelligheid en eenduidigheid is langzaam maar zeker in onze taal en omgangsvormen geslopen.

Een mening wordt heel vaak bekrachtigd met het begrip ‘absoluut’. Wat betekent dat er geen zweempje twijfel rond hangt of er een relatief kantje aan vast zit.

Mocht dat toch het geval zijn dan wordt het vermoeden van weifelmoedigheid uit de wereld geholpen met de bewering dat iets ‘klopt’.

Met die benadering kun je vervolgens ‘aan de slag gaan’. En eenmaal dat tot een goed einde is gebracht, is het enkel wachten op een ‘like’.

Tja, zo eenvoudig kan het leven zijn.

 

‘De acht bergen’ van Paolo Cognetti – Veel existentiëler zal een roman niet meer worden

Mensen trekken de bergen in, laten er hun sporen achter, proberen ze te beheersen of er zich zelfs thuis te voelen. En toch is de hoofdrol in het boek weggelegd voor de bergen. Zij bepalen of het lukt en beslissen uiteindelijk over het lot van hun bezoekers.

AchtBergen02Cognetti schreef geen autobiografische roman, wel een soort van verlengstuk van zijn leven. Zoals het eventueel ook had kunnen zijn. Op die manier probeert hij greep te krijgen op mensen en dingen om hem heen en ze ook te ‘begrijpen’. Dat vindt hij nodig want hij houdt er oprecht van en die liefde is tastbaar in zijn verhaal. Mensen leven er niet langs elkaar heen maar zijn bijzonder betekenisvol voor elkaar, zelfs als het de schijn van het tegendeel heeft.

Dat maakt van ‘De acht bergen’ een existentieel boek. Het gaat over het echte leven, niet zoals het wordt gedroomd of geprojecteerd maar zoals het echt wordt geleefd. Dag in dag uit, seizoen per seizoen, jaar na jaar. Het wordt een bouwproces. Met een paar bewust gekozen bouwstenen en de nodige toevalligheden en wisselvalligheden.

Mysterieuze lariksen    

Pietro verblijft samen met zijn ouders elke zomer in het dorpje Grana in de Italiaanse Alpen. Daar sluit hij, door toedoen van zijn moeder, vriendschap met zijn leeftijdsgenoot Bruno. Een vriendschap die samen valt met de alpenweiden, de koeien, het spiegelende water van bergmeren, de mysterieuze lariksen en in gesleten raakt in ruwe rotsen.

Op Pietro’s vraag waarom mensen voor zo een hard bestaan als het leven in de bergen kiezen,  antwoordt zijn vader ‘Daar hebben ze heus niet voor gekozen. Als iemand op grote hoogte gaat wonen, dan is dat omdat ze hem beneden niet met rust laten.’

De personages die over de acht bergen rondzwerven hebben het dan ook niet zo op de mensheid begrepen. Bruno is zwijgzaam, vooral in zijn jeugd omdat hij ronduit mentaal wordt verwaarloosd. In weerwil daarvan kan hij zich prima redden in de bergen, klimt en klautert, waadt door beken en vindt door wie weet welk instinct of voorkennis steeds de weg in het bos.

Het is Pietro’s moeder die hem echt tot zichzelf brengt. ‘Mijn moeder vond het nodig om zich met de levens van anderen te bemoeien’, vertelt Pietro. Ze biedt Bruno boeken aan en investeert tijd in zijn schoolse opvoeding. Dat verleent een bijkomende dimensie aan zijn leven want hij kan er nu ook over nadenken. Pietro en Bruno hebben veel te bespreken en uit te wisselen tijdens hun lange tochten. En zo blijkt dat mensen, ook de in zichzelf gekeerde, toch weer door anderen worden gemaakt en geboetseerd tot wie ze zijn.

Ook het landschap levert zijn bijdrage. De noodzakelijke zon- en schaduwzijde van een berg, de vallei die ‘s winters volkomen somber en vrieskoud blijft omdat het licht er amper doordringt. De onherbergzaamheid van de hoogten tekent zijn bewoners.

Zo vergaat het mettertijd ook Pietro zelf. ‘Het was vooral mijn vermogen om alleen te zijn dat ik moest beschermen. Ik had tijd nodig gehad om te wennen aan de eenzaamheid, om die tot een plek te maken waar ik kon neerstrijken en me op mijn gemak voelen.’

Een huis met een rotswand

Wanneer ze ouder worden verstrijken er soms jaren voor Pietro en Bruno elkaar terugzien. Want Pietro denkt op een bepaald moment het wel te hebben gehad met die bergen en de spartaanse trektochten die hij samen met zijn vader maakte.

Pas veel later, na de dood van zijn vader, gaat Pietro er weer op af. Omdat de bergen zowat in de nalatenschap van zijn vader zitten en hij daar toch wat mee moet. Pietro en Bruno vinden elkaar dan weer helemaal terug. Hun vriendschap beleeft een hoogtepunt wanneer ze samen een huis bouwen tegen de rotswand op het stuk grond dat Pietro’s vader zijn zoon naliet.

Er wordt heel wat getimmerd en gebouwd in het boek. Met de middelen die voorhanden zijn en die de berg ter beschikking stelt. En zo niet met materialen die ze met veel moeite tegen de hellingen naar boven zeulen.

Maar of de bouwsels tegen de tijd en de gure omstandigheden zijn bestand, is nog maar de vraag.

De bergen, net als het leven zelf, blijken immers niets en niemand te ontzien. Uiteindelijk blijft alleen de vriendschap en de liefde overeind.

Misschien is dit wel waar het boek met zijn vage en schuivende verhaallijn echt over gaat. Over liefde voor de meren, bomen en graslanden, rotspartijen en puinhellingen, liefde voor passanten in je leven, warme herinneringen aan innige momenten tussen moeder en zoon en aan onvermoede bezorgdheid van de vader voor de zoon. Liefde en vriendschap, daarmee moet het een mens het stellen, op de hoogste bergtoppen en in de diepste dalen.

‘De acht bergen’ is heel mooi vertaald door Yond Boeke en Patty Krone, in hun woorden klinkt het vloeiende Italiaans door.

‘De acht bergen’ van Paolo Cognetti werd uitgegeven bij de Bezige Bij en telt 224 bladzijden. ISBN 9789023466413

 

 

‘De Wertheims, twee oorlogen, één familiegeschiedenis’ van Silvia Tennenbaum – Tranches de vies, tranches d’histoire

Niets blijft wat het is. Soms vormen extreme omstandigheden de katalysator van een proces van verval. ‘De Wertheims’ is slechts een van de vele verhalen over de teloorgang van een vooraanstaande Joodse familie tijdens het naziregime.

Historische ontwikkelingen verstrengelen zich met een persoonlijke geschiedenis. Precies die verknoping weet Tennenbaum nauwgezet te schetsen.

Continue reading

‘De wereld vergeten’ Maria Dueñas, zo eenvoudig blijkt dat niet te zijn

‘De wereld vergeten’ van Maria Dueñas is een sloom verhaal met vaart verteld. Een bizarre combinatie.Je kiest een boek uit om te lezen, of het boek kiest jou, omdat er ‘iets’ tussen jullie twee op gang komt. In het begin is het een nauwelijks waarneembare vonk die over springt en eenmaal goed op weg wordt het boek een ‘compagnon de route’, tot de laatste pagina. Je kan er moeilijk afscheid van nemen, verlangt ernaar tussen je bezigheden door en aan het eind van het verhaal voel je al het gemis van een dierbare vriend. Die natuurlijk altijd dicht bij blijft.

Zo gaat het als het goed is. En vaak is het goed. Bijna elk boek vult op een of andere manier wel je denkbeelden aan en is daardoor alleen al betekenisvol. En soms gebeurt er niets. Dat was, wat mij betreft, het geval bij het lezen van ‘De wereld vergeten’ van de Spaanse schrijfster Maria Dueñas.

Continue reading

Mijn wilde tuin, ‘Aantekeningen van een wildtuinier’ van Meir Shalev: Millimeterwerk in de natuur

Altijd zijn Meir Shalevs verhalen in de Israëlische grond geworteld. En bovendien met de levens daar verstrengeld. In ‘Aantekeningen van een wildtuinier’ is het eerste zeker waar en zijn mensen vooral belagers van de tuin. Shalev heeft het immers over zijn bijna intieme verhouding met het stukje land dat bij zijn huis hoort waarin hij en de natuur een hoogst persoonlijk verbond sluiten. Daarom ziet zijn tuin er waarschijnlijk uit als geen enkele andere tuin. Continue reading

‘Mothering Sunday’ van Graham Swift: Hoe een verzwegen verleden tot talloze verhalen leidt

Een dienster die een verhouding heeft met een man uit de klasse waarvoor ze werkt. Niet lang na de eerste wereldoorlog kon je dat wellicht geen uitzonderlijke situatie noemen. Bijzonder wordt het wel wanneer Jane Fairchild, als oude vrouw, nog steeds wordt geïnterviewd over haar succesvolle schrijverscarrière en blijkt dat ze haar geheim altijd bewaarde en in haar verhalen slechts rond de waarheid cirkelde omdat niemand het echte leven kan navertellen en een schrijver altijd in leugens handelt.

Continue reading