‘Johannes Brahms, A Biography’ van Jan Swafford
Brahms, eigenzinnig en bijna altijd verliefd

By | oktober 24, 2021

De muziek van Johannes Brahms (1833 – 1897) klinkt alsof ze door niemand anders kon zijn geschreven. Een mens wordt dan vanzelf nieuwsgierig naar het leven van de componist. De hedendaagse Amerikaanse componist en auteur Jan Swafford trekt in de uitgebreide biografie van Brahms lijntjes van zijn leven naar zijn muziekpartituren. Het vormt prettige lectuur, deze hoog-romantische muziek kan alleen maar voortkomen uit een kleurrijk, bewogen en diep doorvoeld leven.

In een omstandige inleiding legt Jan Swafford uit waarom het levensverhaal van Brahms schrijven zo een moeilijke opdracht was.

Johannes Brahms zou een zelfbewuste man zijn geweest, overtuigd van zijn eigen kunnen. Iets wat, zoals bij wel meer mensen het geval is, niet belet dat hij hevige twijfels had over wat hij op papier zette. Op het einde van zijn leven dacht hij dat de gevoeligheid voor zijn soort van muziek voorgoed voorbij was. Maar in vroegere jaren voorzag hij dat men nog lang over hem zou spreken en zelfs biografieën aan hem zou wijden. Met een bepaald soort ijdelheid wou hij die zelf regisseren en selecteerde en vernietigde daarom briefwisseling en documenten die van zijn levensloop getuigden. Swafford is zich hiervan bewust en probeert een mogelijke vertekening met uitvoerigheid en detail te compenseren. Niet dat het verveelt, je krijgt het gevoel met Johannes Brahms mee te lopen en er een zekere vriendschap mee op te bouwen.

Armtierige jeugdjaren

Met vriendschappen had Brahms het nochtans heel moeilijk. Je zou kunnen zeggen dat hij daarvoor te eerlijk was en teveel het hart op de tong had. Maar terwijl hij mensen bruskeerde bleven ze hem meestal toch trouw vanwege de onmiskenbare betovering die van hem uitging.

Zijn sociale onhandigheid zou tot zijn jeugd zijn terug te voeren. Als volwassen man werd hij zich gaandeweg bewust dat hij, ondanks zijn talenten die hem tot in de hogere kringen voerden, sociale vaardigheden tekort kwam. Simpelweg omdat hij nooit leerde wat gepast was of dankzij welke maniertjes de menselijke verhoudingen gesmeerd verlopen.

Brahms kwam uit een ietwat bizar gezin. Zijn vader was uit het zuiden van Duitsland naar Hamburg verhuisd met de bedoeling er muzikant te worden. Hij bracht het nooit veel verder dan ‘Bierfiedler’. Brahms’ moeder was zestien jaar ouder dan haar man, ze verdiende de kost als naaister  maar was wel belezen. Ze kon Schiller reciteren, iets wat de gevoeligheid van haar zoon Johannes stimuleerde.

De jonge Brahms bleek bijzonder muzikaal, hij zong alle liedjes meteen na wanneer zijn vader op zijn instrumenten oefende. Maar voor pianolessen heeft de jongen heel lang moeten zeuren. En toen hij die kreeg, beweerde hij al snel dat hij eigenlijk componist wilde worden.

Hoe dan ook, vanaf zijn tiende vond zijn vader dat hij klaar was om mee geld in het laatje te brengen. Johannes moest volgens Swafford, al wordt dit door andere biografen ontkend, piano spelen in de Hamburgse havenkroegen en bordelen. Overdag piano studeren en ’s avonds tot in de kleine uurtjes spelen voor een publiek van laag allooi. Hij kende de walsjes helemaal van buiten en  terwijl hij speelde las hij poëzie die op de muziekstandaard stond.

De vrouwen haalden misplaatste grapjes met hem uit en naar verluidt dronk Johannes veel bier om de pijn te verzachten. Helemaal goed is het tussen Brahms en de vrouwen nooit meer gekomen. Wel tussen hem en de literatuur en de filosofie. Brahms is zijn hele leven lang op zoek gegaan naar wijsheid en was een verwoed lezer, onder meer de Duitse auteurs Jean Paul en E.T.A. Hoffmann waren in zijn omvangrijke persoonlijke bibliotheek te vinden. Een tijd lang hield hij zakboekjes bij om inspirerende quotes te noteren.

‘Perfect moet het zijn’

Brahms speelde behoorlijk piano maar werd nooit een virtuoos. Wel was de piano het instrument dat hij het best kende en waarvoor hij heel graag componeerde. Zijn eerste pianoleraar Cossel leerde hem dat ‘muziek moet uitdrukken wat het hart voelt’, een gedachte die Brahms nooit heeft verlaten.

‘Hoe kan het kind zo zeker weten waar het heen wil?’ vroeg een volgende pianoleraar Eduard Marxsen zich af. De jonge Brahms had immers al uitgesproken meningen en in zijn eerste muziekschetsjes was de aanleg om te componeren onmiskenbaar. Om te beginnen baseerde hij zich op volkswijsjes, zijn bekende ‘Hongaarse Dansen’ tonen aan dat hij zich ook later door volksmuziek liet inspireren.

Brahms eerste echte composities waren pianosonates.

Later raakte hij bevriend met een aantal violisten waarmee hij optrad. De belangrijkste samenwerking was met de Duitse violist, componist en muziekpedagoog van Hongaarse afkomst Joseph Joachim. Toen Brahms voor de viool ging componeren, kamermuziek en concerto’s, had hij Joachim in gedachten.

In zijn geboortestad Hamburg werd hem gevraagd een vrouwenkoor te leiden en voor deze stemmen schreef hij tal van koorliederen.

Brahms schreef in het totaal vier symfonieën. Over de eerste heeft hij zich heel lang het hoofd gebroken. In werkelijkheid kon hij zich niet voorstellen dat hij, na Beethoven, een symfonie kon schrijven die de moeite waard was.

Brahms was heel erg gehecht aan de muziek in de traditie van Haydn, Mozart en Beethoven. Zijn orkestraal werk heeft evenwel een aparte charme met hier en daar toetsen van kamermuziek. Hij werd trouwens de ‘derde Duitse B’ genoemd, na Bach en Beethoven kwam Brahms. De muzikale invloeden gingen ook veel verder terug, zelfs tot de polyfonie. Met niet aflatende discipline, dag na dag, jaar na jaar, werkte en studeerde Brahms, om zijn eigen taal steeds meer af te lijnen. Onophoudelijk verdiepte hij zich in het contrapunt, een techniek die zijn composities karakteriseert.

Ondanks zijn immense bewondering voor zijn voorgangers was Brahms heel individualistisch. ‘Brahms possessed something that cannot be taught: a musical voice audibily grounded in the tradition and at the same time unlike any other ever heard’, schrijft Swafford. De biograaf ziet het zo, de klassieke invloeden hielden de emotionele chaos van Brahms’ turbulente leven binnen de perken. Daar bovenop kwam het perfectionisme van de componist. Hij werkte en herwerkte zijn partituren tot er geen noot teveel of te weinig stond, tot je geen maat meer zou kunnen verbeteren. ‘Of het ‘mooi’ klinkt, is een heel andere zaak maar perfect moet het zijn’, placht Brahms te zeggen.

Wenen

Brahms heeft vroeg en veel successen gekend in zijn leven. Maar de herkenning maakte het niet noodzakelijk makkelijker. Robert Schumann zette als eerste bijzonder zware druk op de aankomende componist. In zijn ‘Neue Zeitschrift für Musik’ schreef de Duitse componist dat Brahms de ‘nieuwe messias’ van de muziek was. Het was aan Brahms om het waar te maken.

Dat hij in Hamburg geen muziekdirecteur van het grote orkest mocht worden, stelde Brahms dan weer heel erg teleur. Uit frustratie verhuisde hij in 1862 naar Wenen, de muziekstad bij uitstek. Daar liep hij bijna letterlijk in de voetsporen van Haydn, Mozart en Schubert maar integreerde zich ook in het muzikale leven van zijn tijd.

Voor Johan Strauss koesterde Brahms grote bewondering en hij was met de Walsenkoning bevriend.

Liszt en Wagner waren rivalen. Zij beweerden de vertegenwoordigers te zijn van de nieuwe richting in de Duitse muziek. Toch bewonderde Brahms de opera’s van Wagner maar had een hekel aan het maniërisme van Liszt.

Brahms werd een eenzelvige man met vaste gewoonten. Hij woonde in een bescheiden appartement tegenover de Karlskirche op de Ringstrasse. Hij stond heel vroeg op, zette sterke koffie en stak een sigaar op. In de voormiddag studeerde hij of werkte partituren af, ’s middags ging hij steevast buitenshuis lunchen. Daarna wandelde hij vaak in het Weense park Prater, hij dronk biertjes in zijn stamcafé’s en luisterde naar de orkestjes. De avonden waren voorbehouden voor concerten of muzikale bijeenkomsten met vrienden.

In de stad componeerde Brahms niet echt. Dat deed hij tijdens de zomermaanden die hij op de buiten doorbracht, vaak in Baden Baden of Bad Ischl. Brahms was een fervente wandelaar en trok meestal de bergen in.

In 1872 wordt Brahms artistiek directeur van de ‘Gesellschaft der Musikfreunde’ in Wenen. Daarbij   combineerde hij de taak van chef-dirigent met die van artistiek leider. De kunstenaar had het wel lastig met de administratieve rompslomp en kapte na drie jaar met de opdracht. Wel bleef hij tot het einde van zijn leven nauw verbonden met de muziekvereniging.

Brahms was redelijk gefortuneerd en had al lang geen vaste baan meer nodig. Hij rekende stevig door voor concerten en verdiende veel aan de verkoop van partituren. In die tijd konden muziekliefhebbers de muziek enkel in de concertzalen beluisteren of zelf thuis spelen. Toen de fonograaf ingevoerd werd, vreesde Brahms dan ook dat mensen niet langer muziek zouden leren en dus niet meer op dezelfde manier en met kennis zouden kunnen luisteren. Iets waar hij helemaal gelijk in kreeg.

Naarmate de eeuw op haar einde liep, ging het met Oostenrijk bergaf. Brahms leefde in een relatief stabiele en rustige periode maar tegen het einde van zijn leven werd het antisemitisme voelbaar. De componist die vele Joodse muzikanten kende, walgde van de anti-Joodse sentimenten.

Clara… en de anderen

Als het over de liefde gaat wordt Brahms vast gepind op zijn levenslange verhouding met Clara Schumann. Maar het was een onmogelijke liefde. Brahms maakte van nabij de aftakeling van Robert Schumann mee en hield Clara overeind na zijn overlijden en betekende veel voor haar zeven  kinderen. Maar een huwelijk zag hij niet zitten.

Al vrij jong was hij erachter gekomen dat een relatie teveel energie opslorpt en hij koos er bewust voor om vrijgezel te blijven.

Wat niet belette dat hij dikwijls, meestal zelfs, heel verliefd was. Op de meisjes van zijn vrouwenkoren, op Clara en op haar dochter Julie Schumann en op tal van anderen. De engelachtig mooie jongen met de blauwe ogen en fijne stem had ook veel succes bij de meisjes. Een keer had Brahms het zo te pakken dat hij zich, ondanks zichzelf, verloofde. Maar na het fiasco van de creatie van zijn eerste pianoconcerto in Leipzig, de stad waar Mendelssohn nog steeds werd vereerd, verbrak hij de verloving. De reden, hij kon nog wel verdragen om alleen thuis te komen na een mislukt concert maar dat er hem een vrouw opwachtte die hem vroeg hoe het was gegaan, zou hij niet kunnen harden.

Brahms was een notoir hoerenloper en als een van de meisjes hem overdag op straat begroette, was dat wel eens gênant. Als regel had hij geen sex met vrouwen waarvan hij hield en omgekeerd.

De componist was een eenzame man. Hij benijdde mensen die een gezin met kinderen hadden, iets waar hij omwille van zijn kunst moest van afzien. Maar het gevoel van onvervuld verlangen is de ‘toonaard’ waarin hij zijn muziek schreef, zonder ooit sentimenteel te worden.

Brahms was een onbehouwen man die, buiten de muziek om, niet altijd goed wist wat hij met het leven aan moest. Een gouden hart had hij wel. ‘Zelf heb ik niet veel nodig’, zei hij en steunde heel wat jonge muzikanten en componisten waaronder Antonin Dvorak. Ook zijn familie werd door hem financieel onderhouden. De almaar concerterende Clara Schumann was te trots om geld te aanvaarden maar zonder dat ze het wist, liet hij geld op haar rekening zetten. En voor de kinderen op straat had hij altijd snoepjes in zijn gedemodeerde overjas.

Naar het einde van zijn leven toe, meende Brahms dat hij ‘uitgecomponeerd’ was. Hij schreef nog slechts korte pianostukjes, wiegeliedjes voor mijn hart en voor mijn verdriet, noemde hij ze. Maar op een bepaald moment ontdekte hij de klarinet en componeerde zijn ontroerende klarinetkwintet.

Over heel de lijn, zo stelt Swafford, getuigt de muziek van warmte, durf en zelfs overmoed en dat  resulteert in complexe melodieën en een specifieke tonale taal. Je kunt bijna niet anders dan van Brahms’ muziek houden. Jan Swafford portretteerde de componist ook nog eens als een man om van te houden.

‘Johannes Brahms, a biography’ van Jan Swafford verscheen voor het eerst bij Vintage in 1997 en is verkrijgbaar als ebook.