Montaigne in lockdown

By | juni 11, 2020

We zijn nog lang niet klaar met het covid-19 virus. Wat heeft dat met Michel de Montaigne (1533 – 1592) te maken? De Franse renaissance-schrijver en politicus koos er zelf voor om zich uit het publieke leven terug te trekken en zich op zijn landgoed nabij Bordeaux te vestigen. Daar werd hij door zijn persoonlijke demonen bestormd. Wat hij deed om ze te verjagen is in corona-tijden misschien ook voor ons relevant.

Michel de Montaigne is de uitvinder van het essay. Letterlijk schreef hij ‘Essais’, probeersels, overwegingen omtrent het leven, de tijd waarin hij zelf leefde en de rol die hij daarin speelde. Alexander Roose, professor Franse literatuur aan de Gentse universiteit, schreef over hem het boek  ‘De vrolijke wijsheid – Zoeken, denken en leven met Michel de Montaigne’.
De ondertitel zegt het al, het zoeken en het denken van Montaigne leidden tot een soort van handleiding, of toch minstens houvast, voor ‘het goede leven’. Want voor Montaigne ging het precies daarom. ‘Het goede leven is een overdacht en intens beleefd leven.’ Het klinkt veeleisender dan het is. Want als we tegenwoordig ’s avonds wel eens worden overvallen door de gedachte ‘ik heb vandaag niks verricht’ dan zou Montaigne hebben geantwoord, ‘Toch wel, u hebt geleefd’.

Hersenschimmen en bizarre monsters

Hoewel, zo eenvoudig was het voor Montaigne ook niet. Hij leefde in een tijd waarin zekerheden wankelden. Door de uitvinding van de boekdrukkunst won de reformatie terrein, dat leidde tot wrede godsdienstoorlogen en politieke instabiliteit. De pandemie van de pest waarde rond en zogenaamde heksen werden nog steeds vervolgd. Tegelijk werd de blik verruimd, Copernicus stelde vast dat de aarde rond de zon draaide in plaats van omgekeerd, de geocentrische theorie moest langzaam maar zeker wijken voor heliocentrisme. Columbus had de nieuwe wereld ontdekt. Behalve die moeilijke context was er het persoonlijke verdriet van Montaigne. Hij verloor vijf van de zes kinderen die hij met zijn vrouw kreeg als baby en hield slechts een dochter over.

Meer nog leek hij te hebben geleden onder het verlies van zijn vriend en zielsverwant Etienne de La Boétie. Na de dood van La Boétie heeft Montaigne moeten vaststellen dat zijn gesprekspartner onvervangbaar was. Hij is dan maar met zichzelf in gesprek gegaan en schreef daartoe de ‘Essais’, over alles en nog wat, om zichzelf op het spoor te komen en vooral om zichzelf samen te houden in een tijd waarin alles in en om hem heen versplinterde.

Montaigne is, nadat hij de magistratuur had opgegeven en zich in de toren op zijn landgoed had teruggetrokken, op een heel onprettige manier zichzelf tegengekomen. Hij had gedacht en gehoopt rust te vinden om na te denken en te lezen, in zijn bibliotheek was hij omringd met de dode schrijvers uit de oudheid. Hij werd er evenwel bezocht door hersenschimmen en bizarre monsters. ‘De geest in rust en ledigheid slaat op hol. In zijn rusteloosheid gaat hij alle kanten op zonder nog doelgericht te kunnen denken’, zo ervoer en schreef Montaigne.

Melancholie

Doet dat alles niet een beetje denken aan het begin van de lockdown waarin vele mensen, ondanks de misère buiten, probeerden binnen op adem te komen van de hectische wereld? Werden ze na een tijdje niet ook opgewacht door verwarrende gedachten?

Terwijl wij alle heil verwachten van versoepeling en uitbreken uit het isolement, nam Montaigne een heel ander besluit. Hij ging zijn hersenschimmen en de bizarre monsters noteren en proberen te ordenen. De denker schreef zijn ‘Essais’ om zijn melancholie en doelloosheid te ondervangen. Want hij wist dat de scheidingslijn tussen waanzin en inzicht dun is.

Montaigne wou een soort van zelfportret maken. In de eerste plaats om zicht te krijgen op zichzelf. Maar ook voor zijn familie en vrienden zodat ze hem na zijn dood zouden begrijpen. Dat bleek moeilijker dan hij had gedacht.

‘De mens is een onbestendig wezen en gevarieerd, het is moeilijk om een vast oordeel over hem te vormen’, stelde hij vast.

Montaigne schreef ook uit eenzaamheid. Hoewel hij bescheiden was en zijn verdiensten minimaliseerde, wenste hij toch een aandachtige en competente lezer voor zijn geschriften, ‘un suffisant lecteur’. Wellicht stond hem een lezer van het gehalte van La Boétie voor ogen waarmee hij een denkbeeldige dialoog kon voeren.

Geduldig doorstaan

Montaigne meende met Seneca dat leven een strijd is van alledag. Hij vreesde er door overmand te worden en wendde zich daarom tot de schrijvers uit de klassieke oudheid. In de eerste plaats de stoïcijnen. Montaigne bewonderde hun standvastigheid, hun vermogen om geduldig onaangename situaties te doorstaan waartegen niets te doen valt. Die standvastigheid wou Montaigne ook bereiken op basis van de rede. Vele situaties kun je niet ontvluchten, je kunt alleen zelf anders worden. En hoewel Montaigne het quasi onmogelijk achtte om zelf de standvastigheid te realiseren, wou hij er toch naar blijven streven door oefening. Met de stoïcijnen probeerde hij door stille meditatie en denken de dood haar vreemdheid te ontnemen en te wennen aan de eindigheid. Al is de dood ook het uur van de waarheid, meende Montaigne, pas in dat ultieme moment kun je zeggen of iemand zijn standvastigheid bewaart.

Anderzijds was het Montaigne wel opgevallen dat ‘eenvoudige’ mannen en vrouwen ‘de dood niet vrezen en omwille van hun armoede niet afgunstig op de rijken zijn’. Er is een aristocratie van macht en geboorte maar daarnaast bestaat er een aristocratie van de geest, zo merkte hij op.

Matigheid om beter te genieten

Montaigne wou een kalm leven leiden. In die zin was hij een epicurist. Epicuristen zagen rust en matigheid als een manier om beter te kunnen genieten. Daarom trokken ze zich eerder terug uit het openbaar leven.

Zoals de stoïcijnen vond Montaigne wel dat hij zijn rol in de maatschappij moest opnemen. Montaigne was door zijn hoogstaande opvoeding en afkomst uitstekend geschikt om aan politiek te doen. Hij kende alle partijen en probeerde voortdurend te bemiddelen om conflicten te voorkomen.

Het discours van politici die met sofismen het volk opjutten, doorprikte hij.

Hij vond het zijn burgerplicht om steeds de harmonie in de samenleving na te streven.

Toen de koning hem vroeg om burgemeester van Bordeaux te worden, keerde hij van zijn buitenlandse reizen naar Frankrijk terug om het ambt op te nemen. Evenwel zonder zijn innerlijke en intellectuele zelfstandigheid te verliezen. ‘Je moet de huid en het hemd uit elkaar houden’, beweerde hij daarover.

‘Ik schort mijn mening op’

Toch moest Montaigne het zelf zonder grote waarheden stellen. Hij was een scepticus en een humanist in het diepst van zijn gedachten. ‘Que sais-je?’ luidde zijn motto.

Al toen hij deel uitmaakte van de rechtbank van Bordeaux en vonnissen moest voorbereiden, kwam  hij vaak tot de bevinding dat de argumenten niet zwaar genoeg wegen om mensen te veroordelen. ‘De menselijke rede is een te onbetrouwbaar instrument om een ander mens ter dood te veroordelen.’ Hij was er voorstander van dat er een gerechtelijke uitspraak zou worden ingevoerd die zou luiden ‘het Hof begrijpt hier niets van’.

Montaigne zag in het scepticisme een oproep tot morele bescheidenheid, hijzelf koesterde een wantrouwen in verband met de aanspraken van de rede. Hij vond het beter zijn mening op te schorten dan per se te willen oordelen.

De complexiteit van de werkelijkheid verhindert dat er een absolute waarheid zou zijn. Algemene wetten zijn dan ook problematisch, elk individu heeft zijn eigenheid. Het politieke beleid moet tolerant zijn. Er is slechts ruimte voor kleine maatregelen, grootse veranderingen zijn te ingrijpend zonder dat men weet of ze ook echte verbeteringen zijn.

Het menselijke verstand kan niet bij de waarheid maar dat belet niet dat je moet blijven zoeken, zo vond Montaigne.

Wreedheid als hellend vlak

Montaigne voelde een universele verbondenheid, zelfs met de Indianen uit de nieuwe, pas ontdekte wereld. De Franse koning kreeg er een paar te zien en Montaigne kon met hen van gedachten wisselen. Hij stelde vast dat de ‘wilden’ zonder godsdienst christelijker waren dan de onverdraagzame christenen. ‘Ze hebben geen woorden voor verraad, leugen en hebzucht. Ze sterven van ouderdom omdat ze rustig in de natuur leven en geestelijke rust kennen. Ze hebben geen ideeën over religie en wetten.’ Montaigne meende dat alle mensen respect waard zijn en vroeg zich af waarom de Indianen barbaren werden genoemd.

Montaigne verafschuwde de wreedheid van mensen tegenover dieren. Wreedheid is een hellend vlak, ze leidt naar barbarij.

Dieren kunnen veel dankzij hun instinct. Bovendien zijn ze tot liefde, vriendschap en solidariteit in staat. ‘We staan niet onder en niet boven andere ‘schepselen’, alles onder de zon volgt een wet en een lot’, zo meende Montaigne. De mens mag zich de wereld niet toe-eigenen. De mens is met de natuur en de dieren verbonden en moet er met mildheid en welwillendheid zorg voor dragen.

‘De vrolijke wijsheid – Zoeken, denken en leven met Michel de Montaigne’ van Alexander Roose is bepaald geen makkelijk boek. Maar het is wellicht nog altijd veel vlotter te lezen dan de ‘Essais’ van Montaigne zelf. Die lijkt niet bepaald een rechtlijnig betoog te hebben geschreven en ook Roose neemt de organisch gegroeide structuur over en verwerkt daarin de talrijke inspiratiebronnen van Montaigne. Maar de zoektocht met en naar Montaigne is des te bevredigender vanwege de vele mooie, ietwat subversieve en daarom frisse ideeën die hij al in de zestiende eeuw koesterde en die Roose naar voor haalt.

Nog een laatste gedachte die Montaigne beviel en ons mogelijks in deze afgesloten tijden kan sterken. De God van Delphi zei: ‘Keert uw blik naar binnen, leert uzelf kennen, houdt vast aan uzelf, breng uw geest en uw wil die zich elders opgebruiken weer in uzelf terug.’

De vrolijke wijsheid – Zoeken, denken en leven met Michel de Montaigne’ van Alexander Roose werd in 2016 uitgegeven door Polis. ISBN 9789463100564

lees ook: ‘Montaigne als wijze vriend.’