Brievenboeken (deel 2)
‘Vincent van Gogh – Een leven in brieven’
De verloren charme van gedachten en gevoelens onder briefomslag

By | januari 5, 2020

Over de Nederlandse schilder Vincent van Gogh (1853 – 1890) wordt gezegd dat hij op zijn minst een beetje gek moet zijn geweest. Bij het lezen van zijn brieven groeit de wens dat meer mensen zo menslievend, evenwichtig, scheppend en dapper als hij zouden zijn.

Vincent van Gogh is wereldwijd bekend en bewonderd als (post)impressionistische schilder. Maar er is ook iets in de mens van Gogh dat blijft intrigeren en inspireren. Er werden essays en boeken over hem geschreven en in 2018 kwam ‘At Eternity’s Gate’ uit, een Amerikaans-Brits-Franse biografische film geregisseerd door Julian Schnabel met Willem Dafoe als Vincent.

Stuk voor stuk geweldige pogingen om van Gogh te leren kennen. Nochtans vormen de brieven die hij schreef de kortste weg naar zijn gemoed. Want de jongeman had blijkbaar geen enkele behoefte om verstoppertje te spelen en schreef bijzonder authentiek over wat hem bezig hield en wat hij daarbij voelde.

Actieve melancholie

Zoals bekend zijn de meeste brieven van Vincent van Gogh aan zijn broer Theo gericht. De vier jaar jongere broer was Vincents financiële steun en morele toeverlaat. Dus van alle overgebleven brieven zijn er ruim zeshonderdvijftig aan hem gericht. Behalve dat schreef Vincent ook nog aan de Franse schilder Emile Bernard en aan de Nederlandse schilder en vriend Anton van Rappard. Een enkele brief ging naar zijn moeder en zijn zus Wil.

Vincent van Gogh stond op een heel eigen manier in het leven, tegelijk heel spiritueel en heel aards.  Toen hij zestien was verliet hij de school al om in een kunsthandel te gaan werken, eerst in Den Haag, daarna in Londen en Parijs.

Wanneer hij bij kunsthandel Goupil werd ontslagen, trok hij weer het kanaal over en maakte te voet de tocht naar Londen. In Isleworth gaf hij zijn eerste preek in ‘Gods huis’. Hij was daarvan niet weinig onder de indruk en bracht over dat alles verslag uit in brieven aan Theo. Het was 1876 en de drieëntwintigjarige Vincent sprak vlot Frans en Engels en deed aan bijbelstudie.

Al uit die eerste brieven bleek zijn eruditie, zijn belezenheid, alertheid voor de omgeving en  belangstelling voor beeldende kunst.

‘Het begint reeds te schemeren, blessed twilight noemde Dickens het en wel had hij gelijk. Blessed twilight (…) wanneer twee of drie vergaderd zijn in Zijn naam.’ Het duurde evenwel niet zo heel erg lang voor zijn echte passie de overhand kreeg.

Uit Petit-Wasmes in de Borinage waar hij als predikant werkte, schreef hij: ‘Ik heb een min of meer onbedwingbare hartstocht voor boeken , en ik heb behoefte om mij onophoudelijk te ontwikkelen, te studeren, als je wilt, precies zoals ik behoefte heb om mijn brood te eten. (…) Toen ik in een omgeving met schilderijen en kunst was, heb ik, zoals je weet, voor die omgeving een hevige hartstocht opgevat, ja een geestvervoering. Nu heb ik die omgeving niet meer. (…) In plaats van tot wanhoop te vervallen heb ik verkozen voor actieve melankolie, (…) ik heb de melankolie die hoopt en streeft de voorkeur gegeven boven die welke wanhoopt, omdat ze doods en stilstaand is. Ik heb dus tamelijk degelijk de boeken bestudeerd die binnen mijn bereik waren. (…) Het zou dus een misverstand zijn als je volhield te geloven dat ik nu minder warm loop voor Rembrandt , of Millet, of Delacroix (…) alleen zie je, er zijn allerlei dingen die je zou moeten geloven en liefhebben, er is Rembrandt in Shakespeare, en Corregio in Michelet, en Delacroix in V. Hugo, en verder is er Rembrandt in het evangelie en het evangelie in Rembrandt, zoals je wilt (…) En in Bunyan is er Maris of Millet en in Beecher Stowe is er Ary Scheffer (…)

Deze uiteenzetting laat zien hoe, wanhopig haast, Vincent zijn broer probeerde duidelijk te maken hoe hij de veelheid aan indrukken en belangstellingen wilde kanaliseren. Hoe hij trachtte ook voor zichzelf een richting te vinden waarin hij van ‘maatschappelijk nut’ kon zijn. Want tegen 1880 moest hij al behoorlijk wat druk incasseren, hij kreeg de ‘goede raad’ om eindelijk een beroep te kiezen. Zijn oudste zus suggereerde dat hij bakker zou worden.

In diezelfde brief ging hij hij verder: ‘waartoe zou ik kunnen dienen. Er is iets in mij, wat is het toch! (…) een vogel in een kooi in de lente weet heel goed dat er iets is waarvoor hij zou kunnen dienen; hij voelt heel goed dat er iets te doen valt, maar hij kan het niet doen; wat is het? Hij herinnert het zich niet goed; dan heeft hij vage ideeën en zegt: De anderen maken hun nest en brengen jongen voort en voeden ze op, en dan stoot hij zijn kop tegen de tralies van de kooi. Maar de kooi blijft en de vogel is dol van pijn. Kijk eens wat een nietsdoener, zegt een andere vogel die voorbij vliegt, die daar is een soort rentenier. Toch blijft de gevangene in leven, hij sterft niet, niets blijkt vanbuiten van wat er in hem omgaat, hij maakt het goed, hij is tamelijk vrolijk in de stralen van de zon. Maar dan komt de tijd van de trek. Vlagen van neerslachtigheid. Maar, zeggen de kinderen die hem in de kooi verzorgen, hij heeft toch alles wat hij nodig heeft. Maar hij zit naar buiten te kijken naar de lucht waar een onweer dreigt en hij voelt de opstand tegen zijn lot in zijn binnenste. (…) Och vrijheid alsjeblieft, laat mij een vogel zijn als de andere.’

In 1880 besliste hij om zich helemaal aan de kunst te wijden. Al gaf hij daarmee de droom op ‘om een vogel als alle andere te worden’. In latere brieven had hij het er over dat ‘het gewone leven’ aan hem voorbijging. Hij moest een gezinsleven missen en bracht geen kinderen voort maar schilderijen. Ook zag hij zichzelf, zijn broer Theo en zijn zus Wil als ‘zenuwmensen’, in zijn ogen een familietrek die hen mentaal kwetsbaar maakte.

Schetsjes

Vincent legde vele reizen grotendeels te voet af, wegens geen geld voor trein of ander vervoermiddel. Over zijn impressies kon hij niet zwijgen, in de intense natuurbeschrijvingen in de brieven aan Theo manifesteerde zich de kunstenaar en literator in hem.

‘Maar ik heb dan toch het land van Courrières gezien, de hooibergen, het bruine bouwland of mergelgrond die ongeveer koffiekleurig is met lichte vlekken daar waar de mergel tevoorschijn komt, wat voor ons, die aan bijna zwarte velden gewend zijn, iets min of meer buitengewoons is.’

Zijn gevoeligheid voor kleur was er reeds, al was het nog jaren wachten op de luminositeit waarmee  we de van Gogh-schilderijen associëren.

Vincent hield zich bezig met schetsjes maken van de omgeving en figuren op het veld en het natekenen van meesters als Millet. In de stad was het zoeken naar modellen, vaak ging het om handarbeiders die voor hem poseerden.

De jonge kunstenaar vestigde zich in Etten bij zijn ouders om er rustig te kunnen tekenen. Maar de familieverhoudingen lagen moeilijk, hij bleef de excentriekeling die ze liever kwijt dan rijk waren. Daarna ging het naar Den Haag, Drenthe en Nuenen. In elk van deze episodes beleefde hij liefdesaffaires die de relatie met zijn familie en kennissen ook al geen goed deden. Aan Theo schreef hij over de hypocrisie van mensen die menslievendheid predikten terwijl ze hem veroordeelden omdat hij een vrouw in ellende hielp. Vincent had toen een relatie met een prostitué die een kind van een andere man verwachtte.

Petites misères

In elk geval bracht Vincent in iedere brief aan Theo verslag uit over zijn werk. Vanaf 1880 zond zijn broer hem een maandelijkse toelage en schildersmateriaal. Dat Vincent, ondanks zijn schamele ‘ateliers’ heel hard werkte, bleek uit de brieven. Hij wist dat hij de moeilijkste weg had gekozen en maakte zich geen illusies over cadeaus die het leven hem zou geven.

‘Nu, ik zit in ’t duin of ergens anders ook met een enorm gevoel van flauwigheid bij tijden, omdat er niet inkomt. Schoenen gelapt en kapot van allen, en meer andere ‘petites misères’ die maken dat men rimpels krijgt.’

Telkens zoekt hij de natuur op om zichzelf bij elkaar te houden. ‘En toen was ik naar buiten gegaan, wijd weg, om eens met de natuur te praten.’

De natuur was tevens zijn bron van inspiratie.

‘De ander, ‘Les Racines’, is enige boomwortels in een zandgrond. Nu heb ik getracht in het landschap ’t zelfde sentiment te leggen als in ’t figuur, het zich als ’t ware krampachtig en hartstochtelijk vastwortelen in de aarde, en het toch half losgerukt zijn door de stormen. Ik wilde zowel in dat blanke, slanke vrouwenfiguur, als in die zwarte knorrige wortels met hun knoesten, iets uitdrukken van de strijd des levens. Of liever, omdat ik getracht heb trouw te zijn aan de natuur welke ik voor mij had, zonder erbij te filosoferen, is er haast onwillekeurig in beide gevallen iets van die grote strijd in gekomen.’

Maar Vincent bleef zijn keuze en zijn ethische levenshouding trouw. ‘Nu – ook al zij het niet precies plezierig, denk ik: ’t is toch après tout nog beter te gronde te gaan dan een ander te gronde te richten. Ik bedoel, het is geen reden zijn sereniteit te verliezen, indien men zou inzien dat men wel eens een arm leven zou kunnen krijgen waar men de kundigheden, de handigheden, de bekwaamheden had waarmee anderen rijk worden. Voor geld ben ik niet onverschillig maar ik begrijp de wolven niet.’

Zelfvertrouwen groeide

Volharding en vertrouwen karakteriseren Vincent. Uit Antwerpen, waar hij zwarte sneeuw zag,  schreef hij: ‘Evenwel, ik heb vertrouwen in kleur. Zelfs wat de prijs aangaat, het publiek zal er op den duur voor betalen.’

In de zomer van 1887 ging hij naar Parijs. Aan zijn zus Wil schreef hij dat hij het pas verschenen ‘Mont Oriol’ van Guy de Maupassant las en verder ‘A la recherche du bonheur’ van Leo Tolstoi. En ook: ‘Het werk van de Franse naturalisten Zola, Flaubert, de Goncourt, Richepin, Daudet, Huysmans is prachtig en men kan ternauwernood gezegd worden tot zijn tijd te horen als men er geen kennis van heeft genomen’.

Op zoek naar nieuwe kleuren in het Zuiden reisde hij in februari van het volgende jaar naar Arles,  Meteen begon hij studies te maken. ‘De vrouwen zijn erg mooi hier, dat is geen gekheid’, wou hij wel kwijt in zijn eerste brief aan Theo.

Vincent miste zijn vrienden uit Parijs en voelde zich redelijk eenzaam. Maar de lente met haar bloesemende bomen en de sterrennachten inspireerden hem tot ‘een voortdurende koortsachtige werklust.’ ‘Dikke lagen, stukjes onbedekt linnen, hier en daar geheel onvoltooide hoekjes, reprises, gedurfdheden; enfin, het resultaat is, ben ik geneigd te menen, verontrustend en irriterend genoeg om mensen die vastgewortelde ideeën over de techniek hebben, niet bepaald gelukkig te maken’.

Vincent stuurde regelmatig werk op naar Theo die er in ruil voor zijn financiële ondersteuning vrij over mocht beschikken. Maar verkopen lukte niet. ‘Midden in het leven van een kunstenaar is er en blijft er en komt er op bepaalde ogenblikken altijd terug het heimwee naar het ideale leven dat niet te verwerkelijken is. (…) wij voelen de realiteit dat wij weinig betekenen en dat wij om een schakel in de keten van kunstenaars te vormen, een hoge prijs betalen aan gezondheid, aan jeugd, aan vrijheid.’

Van Gogh werd in het zuiden de colorist die hij zich voelde. ‘Een keer ben ik ’s nachts langs het verlaten strand gaan wandelen. Het was niet vrolijk, maar ook niet triest, het was… mooi. De diepblauwe hemel was gevlekt met wolken van een dieper blauw dan het algemene blauw, intens kobaltblauw en andere van een lichter blauw, als de blauwe lichtschijn van de melkweg. In de blauwe achtergrond schitterden de sterren, helder, groenachtig, geel, wit, roze; helderder nog, meer als diamanten en edelstenen (…) men zou dus kunnen zeggen: opalen, smaragden, lazuurstenen, robijnen, saffieren. De zee van een zeer diep ultramarijn, het strand van een paarsachtige en bleekrossige kleur met pruisisch-blauwe struiken op de duinen.’

De schilder was voortdurend in de weer met kijken en werken om zijn indrukken op het canvas te krijgen, niet fotografisch maar zoals hij de omgeving zag. ‘Een werk en een koele berekening, waarbij de geest uiterst gespannen is.’

Aan Wil schreef hij: ‘Lieve zuster, ik geloof dat het er heden ten dage om gaat de rijke en schitterende aspecten van de natuur te schilderen. (…) Hoe lelijker, ouder, boosaardiger, zieker en armer ik word, hoe meer ik mij wil wreken door briljante, goed geordende, schitterende kleuren te maken (…).’

Vincent was erg door Japanse kunst aangetrokken, in het Zuiden voelde hij zich iets dichter bij dat landschap. ‘Ik benijd de Japanners de buitengewone duidelijkheid die alle dingen bij hen hebben. Nooit is het vervelend en nooit lijkt het te haastig gedaan. Hun werk is even simpel als ademhalen (…).

Gauguin

Het zoekend werken en het alleen zijn begonnen hun tol te eisen. Vincent ging gebukt onder het besef dat zijn werk veel kostte en Theo, vooralsnog, niets kon recupereren. Hij droomde van gezelschap om de spanning te doorbreken en om de financiële lasten te delen. Het liefst zou hij hebben dat Gauguin bij hem kwam wonen en ze samen een kunstenaarskolonie zouden stichten.

Op 23 oktober 1888 kwam Gauguin ook daadwerkelijk in Arles aan. Tot 23 december deelden ze ‘het gele huis’ dat Vincent voor hen had klaar gemaakt. De Nederlandse schilder leek er zich helemaal niet van bewust dat Gauguin uit opportunisme bij hem kwam en zag zijn vertrek evenmin aankomen.

Zoals bekend reageerde hij daarop met een zware crisis waarbij hij een stuk van zijn oor afsneed. Na enkele weken van herstel schreef hij aan Theo dat men zich moest voorstellen ‘dat hij voorlopig niet krankzinnig is’.

Inderdaad, werkte en las hij veel, helaas bleven nieuwe crisissen niet uit. In mei 1889 liet van Gogh zich vrijwillig opnemen in een psychiatrische instelling in Saint-Rémy-de-Provence.

‘Ik ben niet goed geworteld in het het leven en mijn geest is niet alleen, maar was ook verstrooid, zodat, wat men ook voor mij zou doen, ik niet voldoende kan nadenken om mijn leven in evenwicht te brengen.’

Misschien was het probleem dat Vincent al teveel had nagedacht. Aan zijn zus Wil schreef hij dat ‘zijn hartstochten een beetje uitgeblust waren’. Toch bleef hij werken en schilderde bloemen, cipressen, korenvelden en luchten en nachten zoals niemand ze ooit had weergegeven.

Begin januari kon hij zich verheugen op de geboorte van het zoontje van Theo en Jo Bongers. Zijn neefje werd naar hem vernoemd.

Ook verscheen een eerste positieve kritiek op zijn werk in het Franse blad ‘Mercure de France’, iets dat hem ‘opmonterde’ maar ook uit zijn evenwicht bracht. ‘Toen ik hoorde dat mijn werk wat succes had en het bewuste artikel las heb ik dadelijk gevreesd dat het me opbreken zou; ’t gaat bijna altijd zo in het schildersleven dat het succes almee ’t ergste is.’

De ergste droefgeestigheid

In mei verhuisde Vincent naar Auvers-sur-Oise. De artsen vonden dat hij zelfstandig kon leven en Theo had hem liever dichter bij Parijs. Vincent vertrouwde erop dat het Noorden hem weer bij zichzelf zou brengen. Hij kwam onder de hoede van dokter Gachet, een arts die ook met andere kunstenaars omging. Over het portret dat Vincent van hem maakte, schreef hij: ‘Het heeft een uitdrukking van zwaarmoedigheid die vaak diegenen die het doek zien, als een grimas zou kunnen voorkomen. (…)- in de huidige koppen is expressie en hartstocht, als van een afwachten en van een kreet. Triest, maar zacht, maar helder en intelligent, zo zou men vele portretten moeten maken.’

Over drie grote doeken die hij in juli schilderde, schreef hij: ‘Het zijn eindeloze uitgestrektheden van koren onder bewolkte hemel en ik heb mij niet geschaamd om de ergste droefgeestigheid en eenzaamheid uit te drukken’.

Ook zijn allerlaatste brief op 24 juli, drie dagen voor hij zichzelf met een revolver verwondde en nog twee dagen later overleed, begint met ‘Mijn dank voor je brief en voor het biljet van vijftig francs dat hij bevatte.’ De brief eindigt met de kleurrijke beschrijving van een werk en besluit met ‘De hemel bleekgroen’.

Inmiddels was welgeteld een werk van Vincent van Gogh voor 400 francs verkocht. Na zijn en Theo’s dood en dankzij de gigantische inspanningen van zijn schoonzus Jo Bonger kreeg Vincent van Gogh de waardering waarnaar hij zijn leven lang uitkeek. De eerste Nederlandse uitgave van de brieven uit 1914 werd eveneens door Jo Bonger verzorgd, zij had de documenten moeizaam gerangschikt en de in het Frans geschreven brieven uit het Zuiden vertaald. De brievenschat vormt tevens een schreeuw om aandacht en een ontsnappingspoging aan verstikkende eenzaamheid van Vincent van Gogh.

‘Vincent van Gogh, Een leven in brieven’  is in 1980 als Meulenhoff Pocket editie verschenen en is nog steeds bij de Slegte verkrijgbaar. Van Gogh-kenner Jan Hulsker stelde de bundel samen. De 15e druk is als hardcover verkrijgbaar. ISBN 9789029090575

In maart 2020 verschijnt ‘Van Gogh en zijn boeken, Een literaire schilder, een schilderende literator’ van Willem-Jan Verlinden. ISBN 9789021421544.